Ik zie, ik zie wat jij niet ziet: Visualisatie van de toekomst door sciencefiction
Ofwel, waarom sciencefiction inspiratie is en geen blauwdruk moet worden
Op 24 februari gaf ik voor CASA X Focus Filmtheater een korte inleiding op 2001: A Space Odyssey (1968) van Stanley Kubrick. De inleiding ging over sciencefiction en wetenschap, over verbeelding en visualisatie. Ik kan met gemak twee uur vullen over de relatie tussen sciencefiction en wetenschap in film, en daar kan nog een dik uur bovenop, alleen al over 2001.
Omdat een inleiding een inleiding moet zijn, en de film ook nog ruim 2,5 uur duurt (een behoorlijke zit), moest ik het kort houden. Ik besloot daarom te focussen op de wetenschappelijke aspecten achter de visualisatie in 2001 en hoe de film op haar beurt diepe impact heeft gehad (en nog steeds heeft) op hoe wij ons het leven in de ruimte voorstellen. Dit schrijven is een wat uitgebreidere versie van de inleiding.
Kubrick & Clarke
Een cruciaal startpunt van de film ligt in de samenwerking tussen Kubrick en wetenschappers en sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke. De samenwerking tussen deze twee begon bij Clarke’s korte verhaal The Sentinel (1951), waarin archeologen op de maan een buitenaards artefact ontdekken, een idee dat zou uitgroeien tot de mysterieuze monoliet in 2001. Kubrick benaderde Clarke in 1964 met de ambitie om “de ultieme sciencefictionfilm” te maken. In plaats van simpelweg een boek te verfilmen, ontwikkelden zij het verhaal gelijktijdig: het scenario en de roman 2001: A Space Odyssey ontstonden parallel, in een voortdurende wisselwerking tussen literatuur en cinema.
De wisselwerking tussen sciencefiction en wetenschap is altijd intens geweest. Maar sciencefiction is geen blauwdruk, geen plan voor de toekomst.
Arthur C Clarke en Stanley Kubrick met ondere andere NASA Astronaut Deke Slayton (links naast Clarke) en helemaal rechts, naast Kubric, George Mueller, Senior Administrator Projectleader Apollo Projects NASA.
Wat deze samenwerking bijzonder maakt, is dat Kubric en Clarke rigoureus te werk gingen en niet alleen vertrouwden op verbeelding, maar systematisch wetenschappelijke expertise inschakelden. Kubrick werkte samen met meer dan vijftig wetenschappelijke instituten en bedrijven, waaronder NASA, maar ook ruimtevaartingenieurs, astrofysici, ontwerpers van ruimtepakken en specialisten in kunstmatige intelligentie. Bedrijven als IBM leverden input voor de geloofwaardige vormgeving van de boordcomputer HAL 9000, terwijl lucht- en ruimtevaartbedrijven adviseerden over de constructie van ruimteschepen en draaiende ruimtestations.
Die intensieve samenwerking met wetenschappers is zichtbaar in vrijwel elk detail van de film: de traagheid van beweging in gewichtloosheid, het realistische geluid (of juist de stilte) van de ruimte, de centrifuge die kunstmatige zwaartekracht simuleert, de functionele, bijna klinische vormgeving van de interieurs. Veel van wat in 1968 futuristisch leek, oogt nog altijd overtuigend, juist omdat het gebaseerd was op serieuze wetenschappelijke inzichten en toekomstprojecties uit de jaren zestig.
Een man die ook van grote invloed was op de esthetiek van 2001 was Rick Guidice. Guidice werkte in de jaren zeventig als illustrator voor NASA en visualiseerde ambitieuze toekomstscenario’s voor ruimtekolonies. Zijn ontwerpen waren mede gebaseerd op het concept van de zogeheten Bernal-sfeer: een idee van de Ierse wetenschapper John Desmond Bernal uit 1929.
De Bernal-sfeer beschrijft een enorme, bolvormige ruimtestad die draait om kunstmatige zwaartekracht op te wekken. Binnenin zou een volledig ecosysteem kunnen bestaan (met woonruimtes, landbouw en zelfs parken), beschermd tegen de leegte van de ruimte. Dit idee van roterende structuren en zelfvoorzienende habitats zien we duidelijk terug in de iconische ruimtestationscènes van 2001, waarin geometrie, symmetrie en rotatie niet alleen functioneel zijn, maar ook esthetisch bepalend. Voor zover bekend hebben Kubrick en Guidice elkaar nooit ontmoet, maar Guidice werk was wel van grote invloed op de esthetische keuzes in de film.


Een van de bekendste voorbeelden zijn bijvoorbeeld de bewegingen van de astronauten tijdens de ruimtewandelingen in 2001. Wanneer je deze vergelijkt met de beelden van ruimtewandelingen van de Russische kosmonaut Aleksej Leonov (die in 1965 als eerste mens een ruimtewandeling maakte tijdens de missie van Voschod 2, en waarbij het op een haar na bijna misging), en de Amerikaanse astronaut Ed White tijdens Gemini 4, zie je duidelijke overeenkomsten.
Kubrick en zijn team hebben alles uit de kast gehaald om de bewegingen zo authentiek mogelijk te maken. Hoe ze dat precies hebben gedaan, met camera-ophangsystemen en draaiende sets, is stof voor een heel apart artikel. Voor een echte filmfanaticus is het absoluut de moeite waard om daar dieper in te duiken. Overigens is er niet veel bewaard gebleven van de sets, Kubrick heeft het meeste laten vernietigen.




Een film die moest landen
Je zou denken dat in het jaar dat de film werd uitgebracht, in april 1968, een heel publiek applaudisserend de bioscoopzaal uit zou lopen. De jaren zestig werden immers gekenmerkt door de enorme space-race tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie: van de eerste bemande omloop om de aarde in 1961, tot de eerste ruimtewandeling in 1965, en in december 1968 de eerste bemande omloop om de maan. Een jaar later, in 1969, volgde de maanlanding.
Hoewel nog steeds gezien als een extreem gevaarlijke onderneming, was de ruimte in die jaren geen verre droom meer, maar dagelijkse voorpaginanieuws. Juist daarom lijkt het zo logisch dat een film als 2001 naadloos in dat technologische optimisme zou passen.
Frappant is dan ook dat de film bij verschijning niet onmiddellijk werd bejubeld zoals nu het geval is. De ontvangst was verdeeld; sommige critici vonden de film traag, afstandelijk of onbegrijpelijk. Misschien waren we nog niet klaar voor het toekomstbeeld dat ons werd voorgehouden. Misschien landde de visualisatie van een verbeelding van een toekomstig leven in de ruimte, nog niet in vruchtbare aarde.
In de jaren na de release werd echter steeds duidelijker welke invloed 2001 heeft gehad op wetenschappers, ingenieurs en ruimtevaartontwerpers. De film bood niet alleen een spiegel van bestaande kennis, maar vooral ook een visueel kader voor de toekomst: een manier waarop het leven in de ruimte eruit zou kunnen zien. Voor velen werd dit dé referentie: van roterende ruimtestations tot intelligente computers die met mensen communiceren.
Hieronder twee video’s. De bovenste is een scène uit 2001: A Space Odyssey, waarin een van de astronauten aan het trainen is aan boord van het ruimteschip.
De onderste is een fragment uit Skylab 3 (1973), waarbij drie astronauten laboratoriumtesten deden en trainingen uitvoerden in het ruimtestation Skylab. De bemanning bestond uit Alan Bean, Owen Garriott en Jack Lousma. NASA heeft zich technologisch niet direct laten inspireren door deze scène, maar verschillende astronauten hebben later aangegeven dat de film hun beeld van hoe trainen en leven in de ruimte eruit zou kunnen zien sterk heeft beïnvloed.
Bron: NASA / 2001: A Space Odyssey
Artikel gaat verder onder de video’s.
Een bron van ‘hoe het zou kunnen zijn’
De wisselwerking tussen sciencefiction en wetenschap is overigens van alle tijden. Ideeën uit romans en films vonden hun weg naar laboratoria; speculatieve wetenschappelijke essays werden later technologische realiteit. Hierbij haal ik nog maar een keer Arthur C. Clarke aan, die al in 1945 een beroemd artikel schreef over communicatiesatellieten in een geostationaire baan. Wat toen nog futuristisch klonk, is inmiddels zo vanzelfsprekend dat we ons een wereld zonder satellietcommunicatie niet meer kunnen voorstellen.
Visualisatie van wetenschap hoeft daarbij niet altijd volledig accuraat of realistisch te zijn. Er mogen best dingen niet kloppen. Neem bijvoorbeeld The Martian (2015, Ridley Scott): de stofstorm aan het begin van de film zou in werkelijkheid door de ijle atmosfeer van Mars nooit krachtig genoeg zijn om een raket te doen kantelen.
Toch vormde de film een inspiratiebron voor onderzoeker dr.ir. Wieger Wamelink, die mij ooit vertelde dat hij de film maar liefst dertien keer heeft bekeken omdat hij precies wilde weten hoe kweken van aardappelen in die film werd uitgewerkt. Wamelink experimenteert daadwerkelijk met het kweken van planten (waaronder aardappelen), in Mars- en maansimulantbodems en heeft zich laten inspireren door de film. De wetenschappelijke verbeelding werd hier gevoed door sciencefiction.
Wat sciencefiction voor veel wetenschappers vooral is, is een inspiratiebron. Een motivatie. Een manier om te denken in termen van ‘hoe het zou kunnen zijn’. Een experimenteerruimte. Een gedachte-experiment. Zoals een van de wetenschappers bij de European Space Agency mij ooit zei in een interview: “Als ik denk aan dingen waarvan ik niet weet hoe het eruitziet, zoals donkere materie, dan denk ik vaak aan sciencefiction of aan kunstillustraties om me voor te stellen hoe het eruit zou kunnen zien.” Verbeelding fungeert hier als denkmiddel.


Sciencefiction als blauwdruk van de toekomst
Dromen en verhalen schrijven over andere planeten, leven tussen de sterren en reizen naar de maan zijn overigens zo oud als de mensheid zelf. Om wat voorbeelden relatief dichtbij op de tijdlijn te noemen: Al in 1600 schreef Johannes Kepler zijn half-serieuze, half-speculatieve verhaal Somnium, waarin hij nadacht over een reis naar de maan en de invloed van zwaartekracht en de dampkring. Ik schreef hier al eerder over op deze blog.
Aan het einde van de negentiende eeuw publiceerde John Jacob Astor IV de roman A Journey in Other Worlds, waarin hij suggereerde dat de mens naar andere planeten zou moeten reizen omdat de brandstoffen op aarde zouden opraken, dit is een van de vroege sciencefictionwerken waarin kolonisatie van andere werelden centraal stond.
Met andere woorden: niets nieuws onder de sterren.
Wat wél nieuw is, is dat wij nu leven in een tijdperk waarin mensen die zijn opgegroeid met sciencefiction uit hun jeugd, de middelen hebben om die verbeelding daadwerkelijk uit te voeren. Soms met een bijna letterlijke interpretatie van wat ooit fictie was. En daarbij gaat het niet om dromers zonder middelen, maar om extreem vermogende kleine groep mensen die hun jongensdromen technologisch kunnen realiseren.
Daarin schuilt een valkuil, (waarover filosoof Laurens Verhagen en journalist George van Hal al eerder een goed stuk over schreven in de Volkskrant.)
Sciencefiction als inspiratiebron is krachtig en waardevol. Maar wanneer verbeelding zonder voldoende maatschappelijke, ethische en ecologische reflectie wordt omgezet in concrete plannen, kan fictie een normatief kompas worden zonder dat we ons dat volledig realiseren.
Maar sciencefiction is geen toekomstvoorspeller en zeker geen blauwdruk. Dat technologische elementen uit die verbeelding werkelijkheid worden (de voorbeelden zijn legio, zie bijvoorbeeld Star Trek), betekent nog niet dat de verhaallijnen zelf bedoeld zijn als handleiding.
Want hoewel die esthetiek in de jaren zestig misschien nog niet volledig kon landen, heeft het strakke wit-zwarte interieur met een subtiele blauwe, futuristische gloed inmiddels stevig voet aan de grond gekregen. Minimalistische, knoploze interfaces en naadloze oppervlakken zijn vandaag de dag het streven. Dat zien we bijvoorbeeld bij Elon Musk. Voor de interieurs van SpaceX’ ruimtevloot liet hij zich zichtbaar inspireren door de iconische “running track”-scène uit 2001. De strakke, witte, bijna klinische vormgeving van de Crew Dragon-capsule ademt dezelfde futuristische visie die Kubrick in 1968 al neerzette.
Maar niet alleen de ruimtevloot van Elon Musk. Ook Blue Origin (van Jeff Bezos) en Virgin Galactic streven een esthetiek na die we herkennen uit sciencefictionfilms zoals Alien van Ridley Scott en 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick.



Je vraagt je misschien af wat hier het probleem mee is? Welnu.
Met het streven om de beelden uit sciencefiction zo letterlijk mogelijk te realiseren, lijkt de verbeelding zelf haast een businessmodel te zijn geworden. De letterlijke vertaling van fictieve werelden fungeert niet langer alleen als inspiratie, maar als blauwdruk voor een complete industrie. Musk is daar een groot voorbeeld van; hij heeft in meerdere interviews toegegeven dat sciencefiction voor hem een grote inspiratiebron is. En dan hebben we het vooral over de koloniserende factor, en wat daarbij hoort het kopiëren van een bepaalde esthetiek.
Het wrange is dat daarbij vaak selectief wordt gelezen. De sociaal-kritische, feministische of marxistische lijnen in sciencefiction, en de reflecties op macht, ongelijkheid en menselijkheid, worden voor het gemak maar even overgeslagen. (Zie ook wat Musk haalt uit ‘The Moon is a Harsh Mistress, versus waar het echt over gaat.)
Peter Thiel (oprichter van PayPal en Palantir), die zich ook graag laat inspireren door sciencefiction, antwoordde op de vraag of de mensheid het waard is om gered te worden net een paar seconden te laat met een halfslachtig antwoord dat we nog niet in ons eindstadium zijn; alsof de hele wereldbevolking nog niet zou voldoen aan het ideaal. Het ideaal van Peter is namelijk leven tussen de sterren en ‘het herstellen van de westerse samenleving’. Ik hou mijn hart vast bij wat die zin inhoudt.
Verhalen die gaan over wat ons menselijk maakt
In plaats van verhalen die spiegelen wat het betekent om mens te zijn, verhalen die machtsstructuren bevragen, kwetsbaarheid tonen, twijfel toelaten, worden sciencefictionverhalen soms ingezet als argument dat we de aarde moeten verlaten. Wat overblijft is de heldenlijn van de visionair die de mensheid redt door haar naar de sterren te leiden.
Mijn tegengif is, zoals zo vaak, het werk van Ursula K. Le Guin. In haar essay The Carrier Bag Theory of Fiction keert zij zich tegen het idee dat verhalen altijd over helden, speren en overwinningen moeten gaan. Volgens haar begon cultuur niet met het wapen, maar met de draagtas: het verzamelen, bewaren en delen van wat nodig is om te leven.
Le Guin stelt: ‘We lezen boeken (en ik voeg toe: kijken films) om te ontdekken wie we zijn. Wat andere mensen, echt of imaginair, doen, denken en voelen, helpt ons begrijpen wat wijzelf zijn en kunnen worden. Verhalen hoeven niet te draaien om verovering. Ze kunnen ook gaan over zorg, over overdracht, over het dragen van wat ons menselijk maakt.’
In plaats van Musk te geloven dat we dadelijk rondjes kunnen gaan rennen in een ruimteschip, ‘net zoals in 2001’. In plaats van de ruimte te benaderen als het volgende territorium dat we kunnen exploiteren. In plaats van esthetiek te verwarren met opdracht, wil ik vragen aan het publiek om na te denken over 2001: A Space Odyssey in een ander licht:
Het verhaal niet met één held een hele boel speren en veel geweld, maar als een draagtas vol met vragen. Wat dragen we? Wat geven we door? Wat vertelt deze film ons over mens-zijn? Wat willen we bewaren? En wat willen we juist overstijgen?
Tot zover mijn denken.





Goed stuk over een van mijn favo films en regisseurs. Jammer dat Musk de boel weer bederft.
Zo’n Musk heeft geen idee waar geluk vandaan komt in het leven (o.a. goede relaties met geliefden), vandaar dat ie zo achterlijk veel geld wil blijven verdienen, dat hem nooit datgene schenkt waar hij behoefte aan heeft. Zoals met alle machtige mannen. Dus het is dan vanzelfsprekend dat hij zo’n kille toekomst voor zich ziet. Een beetje zoals het eruitziet in zijn hart, kan ik me voorstellen.